Kennisartikel
Wil de Belastingdienst een bestuurder, vennoot of andere derde aansprakelijk stellen voor onbetaalde belastingschulden, dan gebeurt dat altijd via een voor bezwaar vatbare beschikking (art. 49 IW 1990). Tegen deze beschikking staan bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie open. De aansprakelijkstelling kan pas plaatsvinden nadat de belastingschuldige zelf in gebreke is met betalen.
Waar bijvoorbeeld artikel 36 IW 1990 de materiële aansprakelijkheidsgrond regelt (wanneer een bestuurder aansprakelijk ís), regelt artikel 49 IW 1990 het procesrecht: hoe de Ontvanger die aansprakelijkheid formaliseert. Voor elke vorm van aansprakelijkheid — ongeacht de grondslag — geldt dezelfde bestuursrechtelijke rechtsgang.
De beschikking moet in ieder geval vermelden:
De Ontvanger maakt de beschikking bekend door toezending als aangetekend stuk (art. 49 lid 3 IW 1990). Ziet de aansprakelijkstelling op een bestuurlijke boete, dan gelden aanvullend de regels van hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, AWR.
Belangrijk: aansprakelijkstelling kan niet eerder plaatsvinden dan het moment waarop de belastingschuldige zelf in gebreke is met betalen.
Op grond van art. 49 lid 5 IW 1990 is hoofdstuk V AWR van overeenkomstige toepassing op bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie tegen de aansprakelijkstellingsbeschikking. Dat betekent: dezelfde bevoegde instanties en dezelfde termijnen als bij een gewone belastingaanslag.
Wat kun je aanvechten? De bestuurder kan bezwaar maken tegen de beschikking “in al haar facetten” — dus zowel tegen het feit van de aansprakelijkstelling als tegen de hoogte van het bedrag. Wat je niet meer kunt aanvechten: geschilpunten die al onherroepelijk door de rechter zijn beslist (art. 49 lid 7 IW 1990). Bijvoorbeeld als tegen de belastingaanslag zelf al bij de belastingrechter is geprocedeerd.
Een aansprakelijkheidsschuld is niet zelfstandig aan verjaring onderhevig, maar is accessoir aan de onderliggende belastingschuld (art. 53.1 Leidraad Invordering 2008). Verjaart de onderliggende belastingaanslag, dan vervalt daarmee ook de mogelijkheid tot dwanginvordering van de aansprakelijkheidsschuld.
Dit leidde tot een belangrijk arrest: de Hoge Raad oordeelde in 2025 (ECLI:NL:HR:2025:111) dat uitstel van betaling verleend aan de aansprakelijk gestelde de verjaring van de onderliggende belastingschuld niet schorst. Hierdoor kon een belastingaanslag tijdens een langlopende bezwaar- of beroepsprocedure alsnog verjaren, waarna de aansprakelijk gestelde met succes een beroep op verjaring kon doen — zelfs na jarenlang procederen.
Naar aanleiding van dit arrest bevat het wetsvoorstel Modernisering Invorderingswet 1990 (internetconsultatie, reactietermijn tot 14 augustus 2026) een voorstel om de verjaringstermijn te verlengen zolang een bezwaar- of gerechtelijke procedure over de aansprakelijkstelling loopt. Daarnaast worden de procedurele regels rond aansprakelijkstelling verduidelijkt:
Al vóórdat een aansprakelijkstellingsbeschikking is uitgebracht, kan de Ontvanger conservatoir beslag leggen onder een (potentieel) aansprakelijk te stellen persoon, met verlof van de voorzieningenrechter (art. 51 IW 1990). Dit beslag vervalt van rechtswege als niet tijdig een aansprakelijkstelling volgt of — bij bezwaar — niet tijdig uitspraak wordt gedaan.
Dit artikel geeft een algemeen overzicht en is geen vervanging van juridisch advies. Bent u aansprakelijk gesteld of heeft u een vooraankondiging ontvangen en wilt u weten wat uw mogelijkheden zijn? Neem gerust contact op.
Heeft u een vraag naar aanleiding van dit artikel?
Neem contact op