← Terug naar kennisoverzicht

Kennisartikel

Btw-correctie bij een saneringsakkoord: vergeet artikel 29 lid 7 Wet OB niet

29 september 2026

Bereikt een onderneming een saneringsakkoord met haar schuldeisers, dan heeft dat fiscale gevolgen. Onbetaald gebleven facturen leiden namelijk tot een verplichte btw-correctie op grond van artikel 29 lid 7 Wet op de omzetbelasting 1968. Als de schuld niet wordt meegenomen in het saneringsakkoord, loopt de onderneming het risico op een forse naheffingsaanslag ná afronding van het akkoord. Precies dat overkwam een ondernemer die daarover bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant aan het kortste eind trok (ECLI:NL:RBZWB:2025:8088, 19 november 2025).

Hoe werkt de btw-vooraftrek en -correctie?

Een ondernemer mag de btw die hij aan zijn leveranciers verschuldigd is in aftrek brengen, ook als hij die factuur nog niet heeft betaald.

Voorbeeld: ontvangt u een factuur van € 20.000 aan btw van leverancier Y, en brengt u zelf in hetzelfde tijdvak € 10.000 aan btw in rekening bij uw eigen klanten, dan resulteert dat per saldo in een teruggaaf van € 10.000, omdat uw voorbelasting hoger is dan wat u zelf verschuldigd bent.

Blijft die factuur van Y echter onbetaald, dan moet u de eerder afgetrokken € 20.000 alsnog aan de Belastingdienst terugbetalen. Voor uw leverancier werkt dit spiegelbeeldig: zodra vaststaat dat u niet zult betalen, krijgt hij op grond van art. 29 lid 1 en 2 Wet OB juist recht op teruggaaf van de door hem afgedragen btw. Zo blijft de schatkist per saldo neutraal.

Wanneer ontstaat de correctieplicht precies?

De correctieplicht ontstaat zodra vaststaat dat de factuur niet (volledig) zal worden betaald. Sinds de wetswijziging van 2017 moet dat “buiten twijfel” staan (Kamerstukken II 2016/17, 34554, nr. 3, p. 32). Dat is een aanscherping ten opzichte van het oudere criterium van de Hoge Raad, die het voldoende achtte dat non-betaling “redelijkerwijs waarschijnlijk” was (HR 4 september 1991, BNB 1991/315; HR 16 oktober 2006, V-N 2009/56.15). In de vakliteratuur wordt overigens betwijfeld of die aangescherpte lijn van de wetgever wel houdbaar is (zie uitgebreid: Heinen, TFO 2019/162.2).

Om discussie te voorkomen geldt sinds 1 januari 2017 een vangnet: is een factuur een jaar na de betalingstermijn nog steeds onbetaald, dan is de btw hoe dan ook verschuldigd (art. 29 lid 7 Wet OB). Staat non-betaling al eerder onomstotelijk vast — bijvoorbeeld door een saneringsakkoord — dan moet de correctie al in dát eerdere tijdvak worden verwerkt, niet pas na een jaar.

Waarom dit specifiek bij een saneringsakkoord speelt

Tot 2003 eiste de Ontvanger dat de 29-lid-7-schuld volledig werd betaald voordat hij instemde met een saneringsakkoord. Die eis is losgelaten omdat ze onnodig tot faillissementen leidde (V-N 2002/45.23). Sindsdien geldt: de 29-lid-7-schuld wordt gewoon in het akkoord meegenomen, net als elke andere schuld. De Ontvanger moet hier bovendien actief op toezien (art. 26.3.4 Leidraad Invordering 2008), en vraagt op het kwijtscheldingsverzoekformulier voor ondernemers expliciet naar de verwachte omvang van deze schuld.

De praktijkles: bij de voorbereiding van een saneringsakkoord moet een realistische inschatting worden gemaakt van de btw-correctie die het akkoord zelf teweegbrengt. Vergeet u dat, dan kan die correctie de onderneming na een geslaagde sanering alsnog in de problemen brengen.

De zaak: kwijting zonder akkoord met de Ontvanger

In de uitspraak van 19 november 2025 was het de ondernemer niet gelukt om ook met de Ontvanger tot een akkoord te komen. Met alle concurrente crediteuren wel, maar met de Belastingdienst bleef het bij “gesprekken” (r.o. 4.4-4.5). Na afronding van het akkoord deed de ondernemer geen aangifte van de btw-correctie die daaruit voortvloeide. De inspecteur legde vervolgens een naheffingsaanslag op van € 108.588.

“Kwijting is geen betaling”

Voor de rechtbank betoogde de ondernemer dat finale kwijting, civielrechtelijk én fiscaal, als betaling moet gelden. De rechtbank ging daar niet in mee: crediteuren stemden in met 20% betaling tegen finale kwijting, en de resterende 80% is daarmee kwijtgescholden — dus niet betaald.

Ook het argument dat met sommige crediteuren schuldvernieuwing afgesproken was (bijvoorbeeld via afnameverplichtingen, wat onder omstandigheden wél als betaling kan gelden — zie Rb. Zeeland-West-Brabant 19 november 2015, JOR 2016/84 m.nt. T. Tekstra) haalde niets uit: de ondernemer maakte onvoldoende aannemelijk dát, en tot welk bedrag, van schuldvernieuwing sprake was.

Wel kreeg de ondernemer gelijk op één punt: zijn standpunt was pleitbaar, waardoor de rechtbank de (al in bezwaar verlaagde) verzuimboete van € 500 volledig vernietigde.


Dit artikel is gebaseerd op een eerdere publicatie van mijn hand voor HERO.

Heeft u een vraag naar aanleiding van dit artikel?

Neem contact op