Kennisartikel
Een verhuurder die na het faillissement van zijn huurder de huur beëindigt, schendt de meldingsplicht bodemrecht als hij dat niet meldt aan de Ontvanger. Hij moet dan de executiewaarde van de bodemzaken afdragen. Dat oordeelde Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5443). De Ontvanger had de executiewaarde van de machines vastgesteld op € 58.500.
Uitspraken over de meldingsregeling van het bodemrecht in artikel 22bis Invorderingswet 1990 (IW) zijn zeldzaam. Inmiddels concludeerde A-G Koopman in cassatie (ECLI:NL:PHR:2026:547). Dat is de eerste zaak over de meldingsregeling bij de Hoge Raad.
Kort samengevat
Artikel 22bis IW werd in 2013 ingevoerd om het bodemrecht ‘constructiebestendig’ te maken en de ‘ratrace’ tussen banken en fiscus te stoppen (Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 3, p. 5). Het bodemrecht moest weer werken zoals de wetgever het bedoeld had (Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 7, p. 28).
Dat is niet gelukt. De meldingsplicht bodemrecht werkt al een tijd niet. Er worden nauwelijks meldingen gedaan, en dus zijn er weinig procedures zoals deze.
De verklaring ligt volgens mij in de prikkels. Banken en andere derden kunnen uit financieel oogpunt beter niet melden. Op het niet voldoen aan de meldingsplicht staat geen sanctie. Melden ze niet, dan komt de Ontvanger er mogelijk nooit achter, en kan de bank zich verhalen op de volledige waarde van de bodemzaken. Komt de Ontvanger er wel achter, dan hoeft de bank slechts de executiewaarde af te staan. Zwijgen loont dus.
Daarnaast speelt onbekendheid een rol bij partijen die minder vaak met het bodemrecht te maken hebben, zoals de verhuurder in deze zaak.
Het hof beantwoordt eerst ambtshalve de vraag hoe ver de toetsingsbevoegdheid van de belastingrechter reikt. Uit de wettekst zou volgen dat alleen de hoogte van de executiewaarde aan de belastingrechter kan worden voorgelegd. Het hof vindt dat niet voor de hand liggen. De beschikking executiewaarde (lid 11) is zo verweven met de schending van de meldingsregeling (lid 2) en de financiële gevolgen (lid 12), dat het hof zich volledig bevoegd acht.
Dat is ook de enige bevredigende conclusie.
Het hof oordeelt vervolgens dat de meldingsplicht is geschonden. X koos er zelf voor de huur vrijwel direct te beëindigen. Daardoor kwalificeerden de machines niet langer als bodemzaak. X moest dus melden.
Ook de executiewaarde van € 58.500 houdt stand. X heeft geen verklaring omtrent de executiewaarde gedaan, terwijl artikel 22bis lid 9 IW verplicht tot een met bescheiden gestaafde verklaring. De Ontvanger stelde de waarde daarna zelf vast op de waarde van de resterende termijnen van de huurkoopsom, met een afslag van 35%. X verkocht de machines een jaar later voor € 72.000.
X stelde dat de machines ten tijde van de huurkoop geen € 109.000 waard waren, maar onderbouwde dat niet. Het hof wijst er bovendien op dat de parlementaire geschiedenis aanknopingspunten biedt om uit te gaan van de daadwerkelijke verkoopopbrengst. Het hof verwijst naar de memorie van toelichting: de zekerheidshouder moet ‘de opbrengst dan wel de waarde van de bodemzaken’ vergoeden aan de ontvanger (Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 3, p. 18).
Of de wetgever hiermee de daadwerkelijke verkoopopbrengst bedoelt, valt te betwisten. De wettekst spreekt alleen over ‘executiewaarde’. Verderop in de memorie van toelichting schrijft de wetgever dat pandhouders en overige derden die de mededeling niet (tijdig) hebben gedaan, op vordering van de ontvanger een met bescheiden gestaafde verklaring omtrent de executiewaarde moeten doen. Het is daarbij niet relevant of de bodemzaak is vervreemd of alleen van de bodem is weggehaald. Daarna vordert de ontvanger die waarde (Kamerstukken II 2012/13, 33 402, nr. 3, p. 41).
Daaruit leid ik af dat de wetgever uitgaat van de executiewaarde die de Ontvanger kan vorderen. ‘De opbrengst’ in het door het hof aangehaalde citaat kan dan ook gelezen worden als ‘de executieopbrengst’.
X ging in cassatie. A-G Koopman concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep ([ECLI:NL:PHR:2026:…], [datum]). Volgens de A-G heeft X met de mededeling dat de huur was beëindigd de knoop doorgehakt en verrichtte zij daarmee een handeling waardoor de Ontvanger geen bodembeslag meer kon leggen. De A-G pleit er verder voor om geen beschikking op grond van artikel 22bis IW op te leggen als de derde geen verwijt van het niet melden kan worden gemaakt. [Hoge Raad: ECLI en uitkomst invullen.]
Voor dit specifieke geval is de uitkomst van de cassatie niet beslissend. X heeft zelf nagelaten de executiewaarde aan te tonen, en € 58.500 lijkt mij gezien de omstandigheden redelijk.
X ging vervolgens in cassatie. A-G Koopman concludeerde op 29 mei 2026 tot ongegrondverklaring (ECLI:NL:PHR:2026:547). Het is de eerste keer dat de Hoge Raad zich moet uitspreken over de meldingsregeling van artikel 22bis IW. Het cassatiemiddel bevat vijf klachten.
De eerste klacht is de meest verstrekkende. X betoogde dat de belastingrechter alleen bevoegd is voor de hoogte van de executiewaarde, en dat de burgerlijke rechter over de rest gaat: de meldplicht, de bodemzaak, de reële eigendom.
De A-G ziet dat anders. De bevoegdheid van de belastingrechter omvat het hele artikel 22bis IW, dus ook geschillen over de meldplicht, de vraag of er sprake is van een bodemzaak, het bestaan van reële eigendom en de omvang van de belastingschuld. Dat is dezelfde lijn als die van het hof, en de lijn die rechters tot nu toe volgen. Het zou de rechtsbescherming ook niet dienen als één beschikking door twee rechters moet worden beoordeeld.
Het interessantste staat aan het eind, los van de casus. De A-G wijst erop dat artikel 22bis IW is ingevoerd tegen gehaaide verijdelingsconstructies. Daar past een zekere mate van verwijtbaarheid bij als voorwaarde om de eigenaar of pandhouder te laten opdraaien voor de belastingschuld van een ander. De wet kent echter geen uitzondering voor situaties zonder verwijt.
Daarom stelt de A-G een andere lezing van artikel 22bis lid 9 IW voor. Als er geen verwijt valt te maken, kan de Ontvanger geen beschikking geven op grond van lid 11. Voor X helpt dat niet: X nam zelf het besluit om de huur te beëindigen.
Ik vind de redenering overtuigend, en dat geldt ook voor Tekstra in zijn noot (NLF 2026/1206). Het probleem is de invoering van de meldingsplicht voor de belastingschuldige zelf in 2018 (artikel 22bis lid 3 IW). De eigenaar of pandhouder weet daardoor niet altijd wat de belastingschuldige uithaalt. Een regeling die gehaaide constructies moet raken, treft dan de argeloze partij.
Het bodemrecht komt ook aan de orde in verschillende trainingen en cursussen die ik geef. zie: Trainingen & lezingen.
Heeft u een vraag naar aanleiding van dit artikel?
Neem contact op